Het beoefenen van het imiteren van hout en marmer en andere technieken is al heel oud. Schilders in de vorige eeuw beheersten deze technieken perfect, omdat het tot hun dagelijkse werk behoorde. Nadat in 1960 het laatste examen van de vereniging ter veredeling van het ambacht was afgesloten, verdween het opleiden en examineren van deze oude technieken.
Voor het imiteren van hout moeten we terug naar het midden van de 18de eeuw. Vanaf de middeleeuwen was eikenhout de belangrijkste houtsoort. Het werd veel gebruikt voor wandbetimmeringen en meubels. Ook mahoniehout was in de 18de eeuw erg geliefd. Dit hout werd door schepen van de Verenigde Oost Indische Compagnie uit verre landen naar ons land gebracht. Omdat de vraag voor beide houtsoorten groter was dan het aanbod, gingen schilders de tekeningen, oppervlaktestructuren en kleuren bestuderen. Binnen korte tijd konden deze houtsoorten door schilders woren geimiteerd.
Niet alleen in onze tijd, maar ook al bij de Egyptenaren, was marmer een kostbaar materiaal. Door hen, maar ook door de Romeinen en latere volken werd naar alternatieven gezocht. In eerste instantie werd dat stucmarmer zoals we dat nu nog kennen. Bij rijke burgers werden interieurs rond 1750, onder invloed van Franse stijlen, verfraaid met decoratieve marmersoorten. Omdat zelfs dat voor deze mensen te duur was werden ze door schilders geimiteerd.
Ben je benieuwd naar de manier waarop deze technieken nu nog worden toegepast kijk dan verder op de pagina cursussen .