Tot in de zestiger jaren waren de leerlingen van de school bijna allemaal zoons van gevestigde schilderspatroons die lid waren van de Bond van Nederlandsche Schilderpatroons. De opleiding werd gedurende de winterperiode gegeven. Zowel de leerlingen als de docenten waren ’s zomers in de praktijk werkzaam. Om de band tijdens de zomer met de school te behouden, moesten de leerlingen een zogenaamde zomertaak maken waarvan alle vakken van de opleiding deel uit maakten. Aan het eind van het derde winterseizoen werd een examen afgelegd.
Na een goed resultaat werd het diploma “Meester in het schilderen” uitgereikt. Hieraan werden de letters NSS (Nationale Schilders School) toegevoegd waarmee men zich kon onderscheiden.